Over Ruud Simons

Vorige pagina

Sinds 1988 woon en werk ik als beeldend kunstenaar in Venlo.
Nadat ik in 1986 afstudeerde als eerstegraads docent schilderen, grafiek en kunstgeschiedenis aan de Stadsacademie voor toegepaste kunst in Maastricht (nu ABKM), ben ik me gaan toeleggen op de ontwikkeling van mijn eigen werk als beeldend kunstenaar. De noodzaak tot verbeelden en creëren was groter dan de behoefte aan zekerheid en vast inkomen.
Mijn interesse richtte zich op de zeggingskracht van materialen die vanuit een traditioneel kunsthistorisch oogpunt zonder artistieke betekenis zijn, zoals hout, PVC, polystyreen, rubber, keramische tegels, beton of staal.

Nu, na 34 jaar werkzaam te zijn in het beeldend vak bestaat mijn werk uit beelden, tekeningen, schilderijen en glas-in-lood. Hierin maak ik naast vrij werk ook werk in opdracht voor overheid en particulieren. Alhoewel ik overwegend in de abstracte beeldtaal werk vanuit universele thematiek, verdiep ik me bij tussenpozen in de figuratieve verbeelding van het menselijk portret vanuit specifieke thema’s zoals dementie.
Door de jaren heen heb ik vanuit het autonome werk een ruim portfolio opgebouwd.
In opdracht heb ik diverse monumentale beelden in binnen- en buitenland geplaatst en maakte ik een aantal monumentale glas-in-loodramen in opdracht voor bedrijven en particulieren.
Mijn autonome werk is met regelmaat op verscheidene exposities getoond.
Vanuit mijn brede ervaring coach ik mensen in het kunstvak. Tevens ben ik medeorganisator van de jaarlijkse ‘Odd kunstroute’ in Venlo. www.oddkunstroutevenlo.nl

Uitgangspunt in mijn werkwijze is altijd het materiaal.
Ik ben geïnteresseerd in de zeggingskracht ervan, wat het in ons oproept.
Vaak breng ik meerdere materialen in een werk bij elkaar. Vanuit de dialoog die ontstaat tussen deze materialen en de vorm die ik eraan geef, groeit het beeld naar zijn betekenis toe.
Niet andersom.
Zo begint alles bij mijn fascinatie voor de oneindige mogelijkheden waarin ik materiaal en vorm kan manipuleren tot associatieve composities.
Regelmatig wissel ik van materiaal en techniek. Ook hier gaat het mij om de dialoog die ontstaat tussen de diverse werkprocessen. Inzichten vanuit de ene beeldende discipline beïnvloeden de andere. Het brengt onverwachte elementen in mijn werk, als een bewust toeval.
Ik wijk daarmee regelmatig van het vertrouwde pad af. Het voorkomt routine en gedachteloze herhaling. Het houdt mijn aandacht op de zeggingskracht van het werk scherp.

Waar gaat het werk over?
Als beeldend kunstenaar geef ik vorm aan wat mij opvalt in de wereld om me heen.
Gaandeweg ontwikkelen zich hierin twee kernthema’s die in mijn werk steeds terug komen.
Om te beginnen zie ik de grote verschillen bij mensen in de beleving van de werkelijkheid.
We kijken naar hetzelfde maar zien iets anders.
Ik zie de hardnekkigheid hierin. Het onbuigzame van een standpunt.
In de psychologie noemt men dit selectieve waarneming. Je ziet alleen de dingen die jouw vooroordeel bevestigen en geen bewijzen tegen dat vooroordeel.
Dat fascineert mij.
Hoe we kijken wordt bepaald door overtuigingen die we door opvoeding en levensgebeurtenissen vormen. We houden er aan vast, het geeft ons orde en controle over het leven. Denken we.

Verder inzoomend zie ik echter ook hoe onvoorspelbaarheid die schijnbare orde kan verstoren. Hoe onze verwoede pogingen om alles onder controle te hebben onderuit gehaald wordt door onverwachte gebeurtenissen.
Ik zie daarmee het tegenstrijdige tussen enerzijds de behoefte van mensen aan een stellige overtuiging en anderzijds de betrekkelijkheid hiervan. Niet alleen staat er altijd een andere overtuiging tegenover, ook onvoorziene omstandigheden tornen eraan. Het is het toeval van de opvoeding (niemand kan bepalen waar hij geboren wordt) en het toeval van de levensgebeurtenissen (niemand kiest wat hem overkomt) wat bepaalt hoe jij naar iets kijkt.
In mijn werk geef ik dan ook vorm aan die betrekkelijkheid en diversiteit van onze waarneming. Ik wijs op het gegeven dat controle niet bestaat en alles afhankelijk is van onze verbeeldingskracht en ons probleemoplossend vermogen.

De beperkingen van onze doorgaans functionele en schematische manier van waarnemen wil ik daarom zichtbaar maken. Ik beoog de kijker uit zijn dagelijkse routine van oordelen te halen en aan te zetten tot het loslaten van ingesleten denk- en kijkpatronen.  Ik wil hem bewust laten worden van de subjectieve aannames in zijn beeldvorming.
Hiermee wijs ik op de noodzaak om altijd de realiteit van andere perspectieven op de werkelijkheid in het oog te houden.  Dit verlangt van iedereen de bereidheid om het eigen standpunt regelmatig kritisch te  bevragen. Twijfel die hieruit ontstaat vraagt aanpassing van ons gedrag, nieuwe inzichten vereisen bijstelling van ons verwachtingspatroon.
Dit proces van beïnvloeding, aanpassing en hervinden van een nieuw evenwicht is een belangrijk vormprincipe in mijn beeldtaal.

In de ruimste zin van het woord gaat mijn werk daarmee over relativering.
Zijn we in staat onze eigen mening te relativeren? Durven we aan ons standpunt te twijfelen? Staan we er voor open dat de werkelijkheid ook anders gezien kan worden? Kunnen we ons verplaatsen in het standpunt van de ander? Hoe groot is ons zelfinzicht? Deze aspecten in ons gedrag onderzoek ik in de zeggingskracht van materiaal en vorm. Dit wordt in mijn werk zichtbaar door wat het vraagt van het voorstellingsvermogen van de toeschouwer. Het vraagt de toeschouwer te twijfelen, te relativeren, zich er voor open te stellen. Het vraagt om in de spiegel van het kunstwerk te kijken.

Ik vermijd daarom de vanzelfsprekendheid van de voorstelling. Een te concrete voorstelling heeft vaak de schijn van een overtuiging. Het denkt zichzelf te kunnen rechtvaardigen door z’n verbale en rationele verklaarbaarheid.
Mijn middel hiertoe is het provocerend ingrijpen in de esthetische beleving van een werk.
Bekorende vormgeving smoort het voorstellingsvermogen en is daarmee slechts zalvend voor de goedkeuring van de kijker: het gemakzuchtig behagen van de esthetische ervaring is een te oppervlakkig doel. Het ontstijgt nooit het niveau van decoratie en wordt daarmee nooit kunst. Alleen leunen op de uiterlijke schoonheid en aantrekkelijkheid van de vorm heeft de lafheid van teveel suiker in de saus en te weinig azijnzure prikken op de tong.

In het werk richt ik mij dan ook op het spanningsveld tussen het vertrouwde en het onverwachte.
Ik  plaats de stelligheid van ons handelen tegenover de grilligheid van de realiteit.
Belangrijke componenten in mijn werkwijze zijn daarom het gebruik van toeval en onvoorspelbaarheid. Het levert een controverse op die mijn eigen standpunten doet wankelen.
Ik breng mezelf aan het twijfelen en het werk dwingt zichzelf af zonder dat ik volledige controle heb.
Op deze manier creëer ik een niet te benoemen mentale ruimte tussen het zichtbare beeld en de betekenis die het oproept.  Ik zoek het moment waarop de betekenis niet meer eenduidig onder woorden te brengen is. Beeldende kunst die volledig in woorden te vatten is maakt zichzelf overbodig en wordt een illustratie van het verbale verhaal.

In de stelselmatige afwisseling van materiaal en techniek toon ik het belang van het voortdurend herijken van onze eigen waarneming en overtuiging. Ik toon de noodzaak om vertrouwde manieren van werken los te laten en onvoorspelbaarheid ruimte te geven in het creatieve proces. Hiermee verruimen we onze inzichten en worden we uitgedaagd steeds weer een nieuw evenwicht te vinden vanuit onzekerheid, chaos en verandering. Het houdt ons scherp op onze perceptie van de werkelijkheid.
De kijker wordt hiermee in zijn associatief vermogen uitgedaagd. Er wordt een beroep gedaan op z’n voorstellingsvermogen. Hij gaat twijfelen aan zijn eigen, vertrouwde perspectief door de discrepantie die ontstaat tussen wat hij ziet en wat hij weet.
In dit spanningsveld ligt de essentie van mijn werk.

Kunst voldoet vanuit z’n DNA niet aan het verwachtingspatroon van de kijker omdat het gericht is op het vergroten van het voorstellingsvermogen van de kijker, niet op het paaien ervan.
De rol van kunst in de samenleving is wat mij betreft dan ook heel duidelijk: kunst is geen decoratie of vermaak, geen poging schoonheid voort te brengen, maar een doelgericht uitdagen van het voorstellingsvermogen van de toeschouwer. Het voorstellingsvermogen hebben we hard nodig in situaties die nieuw voor ons zijn en waar we nog geen oplossingen voor hebben. Het traint ons probleemoplossend vermogen en is daarmee essentieel voor de creativiteit die nodig is om tot antwoorden te komen.
Zonder voorstellingsvermogen geen tolerantie en ruimdenkendheid.

In kunst leren we dan ook om ons iets voor te stellen bij iets waar we ons nog niet eerder een voorstelling bij hebben gemaakt. We trainen onze verbeeldingskracht.
Je wordt je pas bewust van je eigen vooringenomenheid bij het waarnemen als je je iets kunt voorstellen bij het andere perspectief. Je constateert dat iets niet ís wat het is, maar wat jij dénkt dat het is. Jouw waarneming blijkt toch geen absolute waarheid te zijn.
Ons wereldbeeld is daarmee een relatieve visie, bepaald door het toeval van culturele afkomst en levenservaringen. ‘De waarheid’ slechts een opvatting van subjectieve aard, gekleurd door sociale klasse en opvoeding.

‘Alles wat we horen is een mening, geen feit. Alles wat we zien is een perspectief, niet de waarheid’.
(Marcus Aurelius)

Interesse in kunst

Informeer naar de mogelijkheden van een kunstwerk op maat of blader door de digitale galerie

Informeer naar een project op maat
Dit is een website van