In de oudheid werd glas al gebruikt als een doorzichtige afsluiting van ramen. Resten hiervan zijn gevonden in o.a. Pompeji, Herculaneum en Rome.
Het naast elkaar tot een compositie samenbrengen van stukken gekleurd glas in loodprofielen kennen we sinds de vroege middeleeuwen. Omdat er destijds enkel geblazen glas bestond, was vlak glas alleen in kleine stukken beschikbaar. Om toch een groter raam te kunnen maken werden loodprofielen gebruikt om de kleine stukken glas met elkaar te verbinden tot een groter oppervlak. Waar het in de Romaanse periode ( 11 de en 12 de eeuw) nog kleine raamopeningen betrof omdat de architectuur uit constructief zware muren bestond, nam de glas-in-loodkunst in de gotiek een enorme vlucht, zowel beeldend als technisch. Architecten begonnen het als een belangrijk element in hun bouwkunst te beschouwen en integreerden het in de architectuur.
Door vernieuwende inzichten in de bouwtechniek kon men in de gotiek geleidelijk aan de ramen steeds groter maken. Door het gebruik van luchtbogen en ranke steunberen aan de buitenzijde van de muren kon de wand open gemaakt worden waardoor er veel meer licht in de kerk kwam. Met de gebrandschilderde glas-in-loodramen kon zo het Bijbelverhaal middels de afbeeldingen in de ramen verteld worden aan de ongeletterde kerkgangers. ( Sainte Chapelle Parijs, Kathedraal van Chartres, Saint-Denis, Reims).
Tegenwoordig is aan de techniek weinig veranderd. Wel kunnen we nu glas walsen tot grote vlakke platen waardoor de glasstukken voor een raam groter kunnen zijn. Het brandschilderen is qua techniek hetzelfde als in de middeleeuwen.